Algemeen   Oprichting   Structuur & Personeel   Krijgsgeschiedenis   'Lied der legioen'   De kruistocht tegen het ongeloof

Freiwilligenlegion "Niederlande"

De eerste twee contingenten kregen de militaire basisopleiding in Debica, op 10-09-1941 volgde een overplaatsing naar de Truppenübungsplatz te Arys (Oost-Pruisen, nu Polen). Al vanaf de eerste dagen werd het Legion geteisterd door gecompliceerde problemen. Deze waren erger en structureler dan de opstartproblemen met de buitenlandse vrijwilligers in de Division "Wiking" . Erger, omdat het wervingsbeleid voor het Legion aanmerkelijk soepeler was dan voor eenheden van de Waffen-SS. Het resultaat was een bijzonder divers gezelschap waarin zich zelfs criminele elementen bevonden. Het moge duidelijk zijn dat deze situatie geen goede basis was voor de opbouw van een geoliede gevechtseenheid. De verschillen tussen de politieke gemotiveerde vrijwilligers waren bovendien ook nog eens zodanig groot dat er veelvuldig conflicten ontstonden. Een oplossing kwam er nog niet. De bestaande problemen bleven en er kwamen alleen maar nieuwe bij. De problemen hadden tijdens de opleiding een structureel karakter omdat de algehele sfeer in de Legionen sterk afweek van de stamdivisies van de Waffen-SS. Waar de problemen in bijvoorbeeld "Wiking" op korte termijn de kop werden ingedrukt door het doortastende optreden van officieren en de zogenoemde germaanse lotsverbondernheid, bleef het Legion problemen houden. Het Legion kende grofweg gezegd meer een nationalistische NSB-sfeer dan een SS-sfeer. SS-Obergruppenführer Gottlob Berger, Chef-Staf van het SS-Hauptamt, verklaarde begin 1944:

'Die Legionen hatten das Bestreben, Sondertruppen der Parteiführer der einzelnen Länder zu werden. Es kam zu einem Gegensatz zwischen den grossgermanischen Elementen in der Division "Wiking" und den Männern der ausgesprochenen nationalistisch eingestellten Legionen.'

Alhoewel Berger de ernst van de situatie overdreef, was zijn analyse achteraf juist. Binnen de Legionen heerste zeker geen nationaal-socialistische sfeer gelijk aan die in de stamdivisies in de Waffen-SS. Het gebrek aan een ideologische lading zorgde er voor dat de gevechtskwaliteit van het Legion niet zo hoog was als die van Waffen-SS Divisionen zoals bv. de "Wiking" of de "Totenkopf". Een andere belangrijke oorzaak van de mindere kwaliteit was de ronduit gebrekkige opleiding die eind juli 1941 begon.

Naarmate de oorlog vorderde werd over het algemeen de militaire opleiding van de Waffen-SS steeds korter en kwalitatief minder. Dat nam niet weg dat de basisopleiding nog steeds erg zwaar was. In Debica werden de vrijwilligers van de SS-Standarte "Nordwest", het Freiwilligenlegion "Flandern" én het Freiwilligenlegion "Niederlande" opgeleid. De toenmalige Kommandeur van de "Nordwest" SS-Oberführer Otto Reich, die de leiding over alle rekruten in Debica en later Arys had, maakte het de vrijwilligers niet erg gemakkelijk. Hij zag alleen in Duitsers volwaardig mensenmateriaal en beschouwde het zeker niet als een eer om met buitenlanders te moeten werken. Reich deed in tegenstelling tot Felix Steiner, de Kommandeur van de "Wiking" geen enkele moeite om de Nederlandse mentaliteit te leren begrijpen. Eigenlijk leefden dergelijke gevoelens bij vrijwel alle Duitse officieren en onderofficieren in het Legion. Zij waren niet capabel genoeg bevonden voor de Waffen-SS en reageerden hun frustraties af op de Nederlanders. Een andere maatregel die de verhoudingen in het Legion verslechterde was de schending van de belofte aan Nederlandse officieren waarin verzekerd werd dat zij in het Legion een vergelijkbare functie zouden krijgen. De belofte werd niet waargemaakt, slechts enkele Nederlandse officieren werden serieus genomen. Na enkele weken keerde hierdoor een groep Nederlandse officieren dan ook terug naar Nederland. Alhoewel na dit voorval de meeste overgebleven Nederlandse officieren wel een officierspost kregen, bleef de verhouding slecht. In de praktijk hadden zij weinig gezag bij de aan hun ondergeschikte Duitse onderofficieren. Het schenden van de belofte zorgde voor een hoop onrust, maar was wel begrijpelijk. Het was een feit dat het niveau van de meeste Nederlandse officieren in vergelijking met hun Duitse collega's veel te laag was.

Het vertrek van het eerste contingent vanuit Den Haag. De mannen lopen hier het station binnen.
In september 1941 werden de rekruten verplaatst naar Arys in Oost-Pruisen. Hier ontstond de volgende rel die de gemoederen hoog deed oplopen. Kommandeur Otto Reich, die eerder al had geprobeerd om Nederlandse legionairs over te halen om zich bij de "Nordwest" aan te sluiten, besloot nu een zuiveringsactie te houden en stelde de Nederlandse rekruten voor de keus: blijven, overgaan naar het WA-regiment (waartoe men eerst weer naar Nederland moest) of naar huis te gaan. Erg verstandig was Reichs initiatief niet. Van de ongeveer 1.250 manschappen die het Legion toen telde, wilden er zeker 577 naar huis, terwijl 214 vrijwilligers opteerden voor een dienstverband in het WA-regiment. Reich sprak op cynische toon uit dat Mussert hier blij mee zou zijn, maar werd overduidelijk overdonderd door deze aantallen. Hij verkondigde korte tijd later, mede op aandringen van de SS, dat een terugkeer toch niet zo makkelijk zou zijn. Reich schond hiermee zijn belofte en dat zorgde vanzelfsprekend opnieuw voor commotie onder de vrijwilligers. Pas nadat plaatsvervangend NSB-Leider Van Geelkerken, speciaal overgekomen uit Nederland, de manschappen op 15-09-1941 had toegesproken keerde de rust enigszins terug. Toch keerden er 265 Nederlanders huiswaarts. In oktober werd nog eens een kleine groep vrijwilligers weggestuurd omdat zij weigerden de eed af te leggen op Hitler. De overgrote meerderheid legde de eed af ondanks de bezwaren die daaraan kleefden. Al met al was het Legion bij lange na nog niet klaar voor de strijd.

Medio december volgde het bericht dat het Legion op korte termijn naar de Heeresgruppe Nord, nabij Leningrad zou vertrekken. De belangrijkste taak waar de Heeresgruppe Nord mee was belast, was de verovering van Leningrad. Het Duitse opperbevel was gelet op de belangrijke industriële waarde van Leningrad (in 1940 10% van de totale Sovjet productie) en het spoorwegennetwerk zeer geïnteresseerd in de verovering van de stad. Leningrad hield ondanks een omsingeling moedig stand.

Ondanks een slechte opleiding, een slechte sfeer en een ontoereikende bewapening en uitrusting werd het Legion tijdens de Kerst van 1941 dus naar het front gestuurd. Na een lange reis vol vertragingen, via Danzig (Gdansk), Libau (Liepaja) en Pleskau, arriveerden het I.Bataillon en de 13. en 14.Kompanie op 02-02-1942 op het station in Selo-Gora aan het Wolchov-front. Meteen dezelfde dag al werd het Legion hard getroffen door de gruwelen van de oorlog. Een transport van de 13.Kompanie, op weg naar de onderkomens in Gusi, stuitte op een hinderlaag van een Sovjet-Russische verkenningspatrouille en werd kansloos vernietigd. Het gevecht kostte de Nederlanders zes doden en een gewonde. Het Wolchov-front, door de Duitsers gekscherend "Der Arsch der Welt" genoemd, had onmiddellijk zijn reputatie waar gemaakt.

Op 05-02-1942 was het gehele Legion aan het front gearriveerd. Voorlopig stond de eenheid onder bevel van Hamburgse 20.Infanterie-Division. Samen met de andere eenheden binnen het XXXVIII.Armeekorps waren de Hamburgers verantwoordelijk voor het openhouden van de belangrijke wegen tussen Leningrad en Novgorod. Juist in deze periode stond de uitvoer van deze taak onder zware druk. Het Rode Leger was bij Leningrad in het offensief getreden met de bedoeling de stad uit de wurggreep te redden. De situatie vereiste dan ook een onmiddellijke frontinzet van de Nederlanders, zoals gezegd onder bevel van 20.Infanterie-Division. Onder leiding van SS-Oberführer Otto Reich (vanaf 01-04-1942 tijdelijk door SS-Obersturmbannführer Arved Theuermann), werd het Legion voor het eerst ingezet tegen de vijand.

In de eerste weken ondergingen de Nederlandse vrijwilligers in een rap tempo alle vreselijke facetten van het oostfront. In de bosrijke frontsector vonden de gevechten plaats op relatief korte afstand van de vijand. Deze zogenaamde 'Nahkampf' gevechten waarin men elkaars bunkers trachtte uit te schakelen waren bijzonder intensief en eisten veel slachtoffers. De Nederlanders bouwden zelf ook de nodige bunkers en stellingen aangezien de artillerie van het Rode Leger regelmatig van zich liet spreken. Verder maakten de vrijwilligers bij Gorenka kennis met acties van partizanen. De strijd met deze non-combattanten was zo mogelijk nog gruwelijker. De partizanen waren berucht vanwege het verminken van gevangen. Van Duitse kant was er ook geen genade. Na afname van een verhoor werden deze gevangen genomen vogelvrije 'bandenkämpfer' dikwijls doodgeschoten. Ondanks het feit dat men te maken had met zowel aanvallen van het Rode Leger als hinderlagen van de partizanen, voerden de legionairs hun taken naar behoren uit. De Nederlanders werden, na een belangrijke overwinning bij de typische Wolchov bos- en bunkergevechten, al in de eerste weken beloond met een eervolle vermelding in het Wehrmachtsbericht (radio-uitzending van het Duitse leger). Het was dan ook niet verwonderlijk dat aan het eind van de maand een aantal IJzeren Kruizen der eerste en tweede klasse werd uitgereikt.

De Wolfsangel, een NSB symbool dat door een deel van de mannen op de kraag werd gedragen in plaats van de Sig-runen.
Toen eind maart de dooi inviel, nam het aantal vuurcontacten met het Rode Leger aanzienlijk toe. De omstandigheden aan het front waren nu bijzonder zwaar. Het smeltwater in de stellingen en loopgraven betekende een voortdurende kwelling. Daarnaast werden de Nederlanders regelmatig aangevallen door Sovjet-Russische infanterie van het 1220.Regiment. van de 366.Divisie en het 1002.Regiment van de elite 305.Siberische Divisie. Op 06-04-1942 werd er door de Rode luchtmacht bovendien een zwaar bombardement op de stellingen van het Legion nabij Gusi uitgevoerd, gevolgd door een stormaanval van circa 500 infanteristen. Opnieuw verloor het Legion een aantal soldaten en officieren waaronder SS-Untersturmführer Olaf Westra. Medio 1942 gingen de Nederlanders in het offensief. Het derde Bataillon van de eenheid behaalde een groot succes toen deze in juni een grote (elite) Sovjet-Russische strijdmacht bij het Fuhovga-meer hielp vernietigen. Men maakte grote hoeveelheden wapens en voorraden buit en nam 3.500 Sovjet-Russen krijgsgevangen, waaronder de beruchte generaal Vlassov.

In juli 1942 werd het Legion, inmiddels onderdeel van de 2.SS-Infanterie Brigade onder SS-Brigadeführer Gottfried Klingemann, overgeplaatst naar het Leningrad front waar het nabij Krasnoje Selo direct deelnam aan het consolideren van het beleg van de stad. Door de zware verliezen bestond het Legion nu ongeveer uit 1.000 gevechtsklare manschappen en 400 onderofficieren en officieren. De maand juli verliep voor de Nederlanders relatief rustig. Wel werden er 18 IJzeren Kruizen der eerste klasse en 158 IJzeren Kruizen der tweede klasse uitgereikt voor het verdienstelijke optreden in de voorbije maanden. De nieuwe commandant van het Legion, SS-Obersturmbannführer Josef Fitzthum, gebruikte de relatief rustige tijd voor het verrichten van oefeningen.

Het Legion dat nu bij het 18.Armee, L.Korps werd gevoegd, moest deelnemen aan operatie 'Nordlicht'. Met deze operatie, die op 14-09-1942 van start moest gaan, hoopten de Duitsers Leningrad definitief in te nemen. Freiwilligenlegion "Niederlande" kampte echter met een slechte bevoorrading en werd bovendien bij Krasnoje-Selo verrast door een aanval van het Rode Leger. 'Nordlicht' mislukte totaal, slechts 13 Divisionen konden voor de aanval worden vrijgemaakt wat bij lange na niet voldoende bleek. Bovendien was het Rode Leger op de hoogte van de Duitse plannen waardoor tijdig een succesvol tegenoffensief kon worden gelanceerd.

Leningradfront, December 1942, Legion Niederlande.
Het Legion werd aan de zuidrand van Leningrad ingezet. Hier diende men een doorbraak van de Sovjet-Russische troepen te voorkomen. De Russische tegenaanval die uitmondde in wat later bekend zou worden als de eerste Ladoga-slag smoorde eind 1942 in de Duitse verdediging. Begin 1943 werd het front verkort door de aankomst van een Luftwaffen-Feld-Division. Het Legion werd nu gehergroepeerd binnen de 2.SS-Infanterie Brigade die vanaf 26-01-1943 werd geleid door SS-Brigadeführer Friedrich Scholz. Op 12-01-1943 barstte de tweede Ladoga-slag los. Het Rode Leger probeerde de Duitse verdediging met krachtige aanvallen van tanks en gemechaniseerd geschut te penetreren. Samen met het Freiwilligenlegion "Norwegen" leverden de Panzerjäger van "Niederlande" met hun 7,5 cm PAK (anti-tankgeschut) een belangrijke bijdrage aan de verdediging. Na deze slag werd de legionair SS-Sturmmann Gerardus Mooyman op 26-02-1943 onderscheiden met het Ridderkruis, nadat hij op één dag dertien Sovjet tanks (later verhoogd tot zeventien) met zijn PAK had weten te vernietigen.

In april 1943 werd het Legioen van het Leningrad-front terug getrokken en omgevormd tot de zelfstandige SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade 'Nederland'.

1942, aan het Wolchov-front: een patrouille van het Legion stuit op de vijand (foto: Bundesarchiv Koblenz)

Bronnen: (zie literatuur voor volledige titels) Pierik, Van Leningrad tot Berlijn; In 't Veld, de SS en Nederland; Hausser, Waffen-SS im Einsatz; Steiner, Die Freiwilligen; Armando, De SS'ersVerrips, Mannen die niet deugden De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog; Vincx en Schotanius, Nederlandse vrijwilligers in Europese krijgsdienst; Zondergeld,Een kleine troep; Havenaar, Mussert; Meyers, Mussert, een politiek leven; Van der Zee, Voor Führer, volk en vaderland; Groeneveld, Gerard, Paul Metz. Mussertman aan het oostfront..



  Tekst: EM © 2000 - 2009 vragen en/of opmerkingen: mail
  The symbols on this site serve no political or ideological purpose. The author has no intention to promote any political or ideological ideas.