De NSB en de eerste groei

In december 1931 werd in Utrecht door Anton Adriaan Mussert en Cornelis van Geelkerken de NSB opgericht. Beide heren verkeerden in de veronderstelling dat de toenmalige staatsvorm in ons land de verkeerde was. Het kernpunt waarin de twee zich geestelijk hadden verenigd, was het streven naar een fascistische staat zoals die in ItaliŽ bestond vanaf 1925. Zowel Mussert als Van Geelkerken lieten zich voor wat hun politieke denkbeelden betrof, inspireren door Benito Mussolini.

Mussert, geboren in 1894 te Werkendam, voelde zich al vroeg aangetrokken tot de rechtsautoritaire en conservatieve stromingen die, vanaf de jaren twintig in grote delen van Europa een opmerkelijke groei doormaakten. Rond het jaar 1922 openbaarde zich bij Mussert een politiek besef. De waterbouwkundig ingenieur werd lid van de conservatief-liberale Vrijheidsbond en er verschenen publikaties van zijn hand die een duidelijk rechtsautoritair stempel droegen. Mussert pleitte in deze publikaties voor de aanvaarding van de menselijke ongelijkheid. Daarnaast vestigde hij de aandacht op het gebrek aan sterke geestelijke leiders in eigen land. Verder meende Mussert net als andere Europese conservatieven en rechtsautoritairen, dat het Verdrag van Versailles grote minpunten kende. Zijn voornaamste argument tegen het verdrag publiceerde hij in 1925 in het Utrechtsch Dagblad.

De Nederlandse regering had zich volgens Mussert door angst laten leiden toen zij een overeenkomst met BelgiŽ aanging over de aanleg van een kanaalverbinding over Nederlands grondgebied tussen Antwerpen en de Rijn en een Moerdijkkanaal tussen Antwerpen en het Hollandsch Diep. Die angst was in Musserts ogen overduidelijk ingegeven door het door hem verfoeide Verdrag van Versailles. Hij slaagde erin de tegenstanders van de overeenkomst met BelgiŽ te bundelen in een Nationaal Comitť van Actie. De protesten van deze pressiegroep werden in 1927 verhoord toen de Eerste Kamer het verdrag verwierp. Mussert achtte het een logische zaak dat hij op grond van dit recente persoonlijke succes in aanmerking zou komen voor een belangrijke nationale functie. Deze wens werd echter niet vervuld; zijn promotie tot hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat in Utrecht kon hem maar weinig bekoren, het was niet genoeg. Intussen bleef Mussert lid van het Comitť, dat met het oog op eventuele toekomstige zaken van gelijke aard als het verdrag met BelgiŽ, actief bleef. Mussert aanvaardde daarnaast lidmaatschappen van de Nationale Unie, een rechtsautoritair gezinde groepering, en de Dietsche Bond welke streefde naar een Groot-Nederland (een samenvoeging van Nederland met het gelijktalige Vlaanderen).

Rond 1930 bereikte Musserts ontevredenheid over de toenmalige staatsvorm een punt waarop hij voor zichzelf een actieve politieke carriŤre overwoog. Nieuwe onderhandelingen met BelgiŽ over het eerder verworpen verdrag en de gevolgen in Nederland van de mondiale economische crisis waren volgens Mussert het resultaat van het slechte en trage functioneren van het parlementaire stelsel in Nederland. De democratie en het parlementaire stelsel zaaiden enkel verdeeldheid en dienden daarom te worden vervangen door een staatsvorm met een regering met autoritaire bevoegdheden (dat wil zeggen zonder Tweede Kamer). Mussert speelde in deze tijd meer en meer met de gedachte hier zelf aan mee te gaan werken. Deze hersenspinsels werden enige tijd nadat hij een geestverwant had ontmoet geconcretiseerd.

Mussert was in contact gekomen met Cornelis van Geelkerken die al vanaf 1924 in fascistische kringen verkeerde. Van Geelkerken deelde Musserts afkeer van de vermeende slapheid van de nationale regering. Beiden waren bovendien van mening dat het tijd werd voor een nieuw nationaal vuur in Nederland. Hiertoe diende een initiatief te worden genomen dat volgens Van Geelkerken het beste kon worden geleid door Anton Mussert. Hij had immers aangetoond een uitstekend organisator te zijn. Musserts warme gevoelens voor het vaderland waren in Van Geelkerkens ogen de juiste om het nieuwe nationale vuur te doen ontbranden. Het was tijd voor andere aanpak. Aanvankelijk kende Mussert enige twijfel, maar deze was dankzij zijn enorme zelfoverschatting geen lang leven beschoren. Het had even geduurd, maar Van Geelkerken had Mussert weten te overtuigen dat hij de juiste persoon was om de vele ongenoegens te genereren in een daadwerkelijk politiek initiatief.

De verkiezingsoverwinning in september 1930 van Adolf Hitler in Duitsland bood de beide heren, zo dachten zijzelf, een zeer geschikt moment om geestverwanten te bewegen zich achter hen te scharen. Alhoewel de pogingen hiertoe aanvankelijk weinig succesvol waren, werd op 14 december toch besloten om een Beweging op te richten: de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Mussert duidde zijn geesteskind aan als een dynamische Beweging die zich tegen het 'verdeling zaaiende' parlementaire stelsel zou moeten keren. In de hoop dat het succes van Hitler in Nederland gekopieerd kon worden, werd besloten de in Duitsland zo succesvolle term 'nationaal-socialistisch' te gebruiken. Om dezelfde reden werd ook gebruik gemaakt van het politieke programma van Hitlers partij. Het programma van de NSB was een bijna letterlijke vertaling van het NSDAP programma. Mussert had zestien paragrafen hiervan in zijn eigen, twintig paragrafen tellend, programma opgenomen.

Belangrijke aandachtspunten die Mussert niet wenste op te nemen in het programma waren de voor het nationaal-socialisme zo kenmerkende rassenbeginsel en het extreem ver doorgevoerde leiderschap. Verder konden er in het NSB-programma geen antisemitische zinsneden worden aangetroffen. Deze 'on-Nederlandse' punten pasten niet in Musserts streven het nationaal-socialisme een sterk Nederlands karakter te geven. De zaken die de NSB-leider wel overnam, botsten in zijn opinie niet met het Nederlandse karakter. De punten die Mussert het meeste belang toekende waren: de benadrukking van de eenheid van de verschillende delen van het Koninkrijk, de noodzaak van een sterk staatsgezag dat zich als een 'goed vader' zou moeten opstellen , het streven naar een Groot-Nederland en de vorming van een sterk Nederlands leger.

Het programma van de NSB kenmerkte zich door een buitengewone politieke vaagheid. De ideologische lading omvatte in feite niet meer dan een streven naar een nieuwe nationale politieke stroming die zich afkeerde van het toenmalige parlementaire stelsel. Mussert, de leider van een nationaal-socialistische Beweging, zoals de naam van de Beweging toch leek aan te geven, had juist de voor het nationaal-socialisme zo kenmerkende aspecten niet willen overnemen. De NSB kon dan ook nog geen nationaal-socialistische Beweging genoemd worden en Mussert zelf was zeker geen nationaal-socialist. De Beweging was in feite niet meer dan een gematigde fascistisch-nationalistische organisatie.

De NSB had zich eind 1934 ontpopt tot een Beweging met een behoorlijke in aantallen groeiende aanhang. In 1933 telde de Beweging nog ongeveer duizend leden, in januari 1934 was het aantal reeds gestegen naar 22.000 en aan het einde van 1934 kon de NSB rekenen op de steun van 33.000 leden. Een aantal factoren lagen ten grondslag aan deze sterke groei. Ten eerste liep de organisatie van de Beweging als een goed geoliede machine. De NSB was er hierdoor in geslaagd de status van de eeuwige splinterpartij te ontstijgen. Mussert had in tegenstelling tot vele van zijn collega's geen met mislukte politieke avonturen besmeurd verleden. De voorsprong die hij hiermee verwierf, bouwde hij uit met zijn kennis van succesvol organiseren en propaganda voeren. Daarnaast had Mussert profijt van zijn goede afkomst. Alhoewel hij in mei 1934 was ontslagen naar aanleiding van zijn politieke activiteiten, had Mussert het gepresteerd om op relatief jonge leeftijd een gezaghebbende functie bij de Waterstaat te bereiken.

Van deze voor de NSB gunstige ontwikkelingen was vooral de daadkrachtige organisatie van de Beweging van groot belang voor de groei die de NSB begin jaren dertig doormaakte. Na een valse start op financieel gebied begin 1932, slaagde de NSB er in aan het einde van hetzelfde jaar te kunnen putten uit een aanzienlijk financieel reservoir, waarvan de herkomst overigens onduidelijk is gebleven. Een belangrijke aanwijzing voor de verbeterde financiŽle situatie is de oprichting van de opgerichte Weer-Afdelingen (WA) in november 1932. De dertig leden van deze paramilitaire organisatie werden allen in uniformen gestoken, wat een kostbare maatregel was. Een andere aanwijzing dat de NSB een financiŽle bron had aangeboord was, de beslissing tot uitgave van het propagandistische weekblad 'Volk en Vaderland' in december 1932.

Naast de verkregen beschikking over voldoende financiŽle middelen onderscheidde de NSB zich vanaf januari 1933 ten opzichte van de andere fascistische partijen als de NSNAP De Joode, NSNAP van Van Rappard (NSNAP was uiteengevallen) en het Zwart Front op organisatorisch gebied met het houden van 'landdagen' (massabijeenkomsten waar meerdere politiek getinte toespraken werden gehouden) die net als 'Volk en Vaderland' een zuiver propagandistisch karakter hadden. De Nederlandse regering had de groei van de NSB met enige argwaan bekeken. Premier Colijn was echter van mening dat de persoon Mussert legaal te werk ging en dus niet aangepakt kon worden. Algemene maatregelen tegen de Beweging zoals het verbod op een lidmaatschap van de NSB voor ambtenaren (december 1933) en militairen (maart 1933) kostten de NSB weliswaar leden, maar echt gebukt ging de Beweging er niet onder. Een andere oorzaak van het ontbreken van daadkrachtige regeringsmaatregelen tegen de NSB was de eind 1933 algemeen heersende overtuiging dat de Beweging een welkom tegenwicht vormde tegen het socialisme en het communisme. De Beweging balanceerde op de grens van het toelaatbare, maar wanneer deze grens werd overschreden, kreeg men van de halfslachtige optredende overheid vanwege de anticommunistische houding het voordeel van de twijfel.

Deze gunstige omstandigheden zorgden samen met het toegenomen verlangen in Nederland naar een politieke omslag voor een sterke groei van de NSB. Velen verlangden naar het einde van de 'politieke slapheid' en de heersende filosofie van het 'gebroken geweertje'. De NSB wist met haar eenheidsidealen en zijn streven naar een sterk Nederlands leger beter dan de andere fascistische partijen te profiteren van de ontevredenheid die bij vele Nederlanders heerste in de jaren dertig. De propagandamachine van de Beweging benadrukte met succes 'het gevaar van het liberalisme'. De liberale gedachte zou volgens de NSB leiden tot marxisme en daarmee tot een ondergang. De Beweging zag het communisme net als alle andere rechtsautoritaire partijen als een kwaad dat bestreden diende te worden.

De NSB had de extreme punten van de NSDAP met betrekking tot het antisemitisme en de rassenleer echter niet overgenomen. Dit door de andere fascistische partijen verworpen gematigde fascisme van de NSB en de eerder genoemde gunstige eigenschappen van de Beweging in 1934 maakten de Beweging voor vele Nederlanders toch aantrekkelijk. De NSB had zich vooralsnog beperkt tot het uiten van ontevredenheid jegens de bestaande situatie in Nederland. De Beweging dreef op het negativisme en kende geen vast beginsel. Alhoewel het negativisme de nodige leden opleverde en daardoor een gunstige uitwerking op de groei van de NSB had, was het hiermee verhulde gebrek aan beginselvastheid van de Beweging een uitkomst voor radicale stromingen binnen de NSB.

Bronnen: (zie literatuur voor volledige titels) R. Havenaar, Anton Adriaan Mussert; R. Havenaar, De NSB tussen nationalisme en volkse solidariteit; J. Meyers, Mussert een politiek leven; D. Barnouw, Rost van Tonningen; L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog; De Jonge, Het Nationaal-Socialisme in Nederland; RIOD, Het proces Mussert



  Tekst: EM © 2000 - 2009 vragen en/of opmerkingen: mail
  The symbols on this site serve no political or ideological purpose. The author has no intention to promote any political or ideological ideas.